2.2 Bewust reserveren voor risico’s in projecten
Bij de uitvoering van infrastructuurprojecten hebben we te maken met twee soorten risico’s: exogene of externe risico’s en endogene of interne risico’s.
De exogene of externe risico’s gaan over gebeurtenissen die buiten de invloedssfeer liggen van het project en de provincie. Dit zijn bijvoorbeeld marktontwikkelingen (personeelstekorten, faillissementen), geopolitieke ontwikkelingen (oorlogen) maar ook veranderend of onduidelijk Europees/landelijk beleid (stikstof, financiële spelregels, staalslakken). Dit soort risico’s zijn niet of nauwelijks te beheersen vanuit projecten en worden niet financieel afgedekt. Beheersing en/of financiële afdekking kan wel wenselijk zijn op hoger niveau (provincie, programma). In het verleden zijn bijvoorbeeld voor de RijnlandRoute, HOV-NET Zuid-Holland Noord en voor stikstofproblematiek aparte programmareserveringen opgenomen in het PZI. Een ander voorbeeld is prijsontwikkeling. Hiervoor heeft de provincie separaat beleid opgesteld en in de begroting wordt rekening gehouden met extra kosten (stelpost in de begroting en reservering in het PZI voor aanleg en verbetering).
De endogene of interne risico’s gaan over gebeurtenissen die binnen de invloedssfeer liggen van het project en de provincie. Dit gaat bijvoorbeeld over de omgeving (participatie/draagvlak/bodem/bebouwing), wetten en regels (proces), politiek (besluitvorming) en de relatie met opdrachtnemers (aanbesteding/contractvorm). Deze risico’s zijn wel te beheersen, maar de mate waarin hangt af van verschillende factoren.
In projecten sturen we op de beheersing van interne risico’s door voor iedere fase alle voorzienbare en mogelijke risico’s tot het einde van het project te inventariseren. Hiervoor gebruiken we onder andere de methode Risman. Hierbij identificeren we risico’s op verschillende vlakken, bijvoorbeeld politiek, technisch, economisch, financieel en maatschappelijk. Vervolgens worden beheersmaatregelen geformuleerd en gekwantificeerd door de kans van optreden en impact op verschillende gebieden in te schatten. Bij iedere faseovergang wordt het risicodossier volledig geactualiseerd en gedurende de fase wordt getoetst of het bestaande risicodossier nog actueel is en de benoemde beheersmaatregelen worden uitgevoerd.
Zoals opgenomen in het jaarlijkse Provinciale Zuid-Hollandse Infrastructuur (PZI) vindt het financieel afdekken van risico’s bij aanleg- en verbeteringsprojecten op drie niveaus plaats, namelijk:
- Op concernniveau voor calamiteiten en niet voor projecten (via het weerstandsvermogen);
- Op programmaniveau (via reservering tegenvallers, stikstof en prijsontwikkeling);
- Op projectniveau (via risicoreservering in projectkredieten o.b.v. risicodossier en eventueel project gerelateerde risicoreserveringen op programmaniveau).
Binnen afzonderlijke projecten vormen financiële tegenvallers een risico. Specifiek bij de uitvoering kunnen incidenten optreden (bijvoorbeeld rondom kabels en leidingen). Voor projecten in het PZI worden deze risico’s zoveel mogelijk afgedekt binnen de beschikbaar gestelde middelen voor projecten. Het is echter niet doelmatig om alle risico’s af te dekken, omdat niet alle risico’s daadwerkelijk zullen optreden. Hiermee wordt voorkomen dat infrastructuurprojecten een onevenredig groot deel van de begroting beslaan. Indien de standaard werkwijze voor risico’s niet aansluit bij de verwachting, dan kan sprake zijn van maatwerk zoals extra onderzoek of een hoger risicoprofiel. Ook het gebruik van een andere contractvorm zoals bij de Steekterbrug, waarbij de aannemer eerder in het proces betrokken werd, kan helpen bij het beter en eerder in kaart brengen van risico’s en kosten. In een enkel geval wordt een aanvullende reservering op programmaniveau opgenomen voor het afdekken van risico’s van een specifiek project.
In het PZI 2026-2040 zijn een aantal risicoreserveringen op programmaniveau opgenomen voor aanleg en verbetering:
- RijnlandRoute € 39,5 miljoen;
- HOV-net Zuid-Holland Noord € 42,8 miljoen;
- Prijsontwikkeling projecten t/m 2027 € 68,6 miljoen;
- Tegenvallers uitvoeringsprojecten € 78,4 miljoen;
- Compensatie stikstofdepositie projecten € 12 miljoen.
Deze reserveringen maken geen onderdeel uit van de projectkredieten en zijn bedoeld voor het opvangen van excessieve risico’s waar normaal gesproken geen rekening mee wordt gehouden bij de uitvoering van projecten, maar die wanneer ze optreden wel onvermijdelijk zijn. Jaarlijks kan via de Voorjaarsnota/Kadernota en het PZI bij de begroting een beroep worden gedaan op de risicoreserveringen. Voor deze reserveringen geldt dat voortkomen uit het gesloten systeem voor bereikbaarheid. Deze worden niet standaard bijgevuld op basis van het toekomstige programma.
Naar aanleiding van recente tekorten bij de N211 Wippolderlaan en Steekterbrug is intern door audit en advies een onderzoek gestart. Op basis hiervan wordt gekeken naar mogelijke verbeterpunten in de werkwijze.
Hoogoven/staalslakken
Voor de problematiek rondom Hoogoven/staalslakken is veel aandacht vanuit gemeenten, provincies en het Rijk. In 2025 zijn hierover ook statenvragen gesteld en beantwoord. Over het provinciale infrastructuurproject HOV Leiden – Katwijk is vorig jaar per brief gecommuniceerd dat de aangetroffen Hoogovenslakken verwijderd zouden worden en vervangen door een schoon en toekomstbestendig materiaal. De extra kosten worden in dit geval opgevangen binnen het projectbudget.
Een duidelijk beleid over het toepassen dan wel saneren van slakken ontbreekt echter. Het huidige verbod voor de toepassing ervan (van bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak) is tijdelijk en geldt tot begin 2027. Onlangs heeft het Ministerie gemeenten, provincies en omgevingsdiensten verboden om het gebruik van staalslakken zelf aan banden te leggen.
Zover dit terug te vinden is hebben we sinds het jaar 2000 geen nieuwe wegfunderingen meer aangelegd die helemaal van staalslakken zijn gemaakt. Wel schrijven we standaard een wegfundering voor met bepaalde eigenschappen. Dit betekent dat maximaal 20% aan slakken (of ander materiaal) mag worden toegevoegd om de fundering steviger te maken.
Naar verwachting zijn veel provinciale wegen deels gefundeerd op slakken. Het is echter niet precies bekend waar de slakken wel en niet zijn toegepast. We hebben geen beleid om slakken proactief te verwijderen. Vanwege de grootschalige toepassing in het verleden is dit niet praktisch, en het zou tot hoge kosten (en grote hinder) leiden.
Wanneer bij (onderhouds)werkzaamheden staalslakken worden aangetroffen is het mogelijk deze te laten liggen/hergebruiken of te verwijderen. Dit hangt af of het materiaal voldoet aan de milieunormen. Als de slakkenfundering tijdens de werkzaamheden alleen tijdelijk verwijderd wordt, kan in bepaalde gevallen de fundering opnieuw gebruikt worden. Dit hangt bijvoorbeeld af van het risico op grondwaterverontreiniging. Wanneer het materiaal onder een asfalt laag ligt komt het weinig in contact met water. Wanneer de slakken niet voldoen aan de milieunormen moeten ze worden verwijderd. Daarbij kan ook op andere gronden worden gekozen om ze te verwijderen. Na verwijdering worden de slakken afgevoerd naar een verwerker. De fundering wordt dan opnieuw opgebouwd uit ander materiaal.
Het onderzoeken, verwijderen en vervangen van slakken in wegfunderingen betekent extra kosten voor projecten. Deze kosten zijn niet voorzien omdat op voorhand niet duidelijk is of staalslakken zijn toegepast en of ze verwijderd moeten worden ongeacht de reden.
Het is nog niet duidelijk wanneer er nieuw beleid komt voor hoogoven/staalslakken en wat dit (financieel) betekent voor infrastructuurprojecten. In de begroting en het PZI zijn daarom momenteel geen financiële reserveringen opgenomen voor deze extra kosten. Los van het beleidsvraagstuk zal in 2026 wel onderzocht worden bij welke (toekomstige) projecten mogelijk sprake is van hoogoven/staalslakken en wat dit op het niveau van het PZI zou kunnen betekenen. Op basis hiervan kan dan bepaald worden welke financiële beheersmaatregelen ingesteld kunnen worden.
